Spitsbergen: leven op 78 graden NB

Spitsbergen: leven op 78 graden noorderbreedte



KAMPEERTREKTOCHT OP SPITSBERGEN - SVALBARD (HT Wandelreizen, 2012)


Grijs, grauw, rotsen, steen, puin, water en mos. Sneeuw en ijs. IJsberen. Rendieren, poolvossen, vogels. Eeuwige kou en verlatenheid. Weidsheid. Delta’s. Bergen in ondergelopen land. Steenkool en spookdorpen. Eeuwige zon en duisternis. En vrijheid. Dat is voor mij Spitsbergen. En dat is de plek waar ik al heel lang heel graag naartoe zou gaan.


Het vertrek

Mijn bergschoenen hebben al weer veel te lang in de kast gestaan. Verstoft en met zware slijtagesporen trek ik ze 2 weken voor vertrek tevoorschijn. Ai. Daar had ik dus eerder een blik op moeten werpen. Mijn perceptie dat ze het tijdens mijn vorige reis prima hadden doorstaan, wordt met één blik teniet gedaan.

Provisorisch geplakt trek ik ze op vrijdagochtend aan. Ze voelen vertrouwd. Mijn rugzak nog licht doordat een deel van de bagage er pas op Spitsbergen in zal gaan. En dan barst het los. Rennend door de regen begeef ik me vanuit huis naar de tram om naar het vliegveld te gaan. Is dit de modus waar ik in zal blijven staan? Onthaasten is er bij een wolkbreuk nog even niet bij. Maar het gevoel is anders. Rennend ga ik mijn nieuw verworven vrijheid tegemoet. Afzien en kou lijden zeggen ze thuis. Maar genieten en beleven dringen mijn bewustzijn binnen. Bij iedere stap verder van huis.


De aankomst

Op Spitsbergen staat de rest van de groep me al op te wachten. De proviand ligt uitgespreid tussen de tenten in het kamp. De camping naast het vliegveld van Longyearbyen. Het uitzicht over het landschap, de warme hut, de douche, de wc en de keuken die verraad dat iedereen smacht naar een lekker maal. Nog niet vermoedend hoe intens we dit zullen beleven aan het eind van dit verhaal.


Op weg

De boot golft licht op het water. De schipper wijst hier en daar een verlaten nederzetting aan. We zijn eindelijk op weg en laten de eerste beelden van het landschap diep tot ons doordringen. Wiegen wordt worstelen, de balans wordt steeds steviger getest. Een balans die ons tijdens de trektocht nog meerdere malen met de handen corrigerend over de rotsen zal laten gaan.

De boot vervaagt, de camera’s van de overige toeristen worden langzaam weer van ons weggedraaid. Wij kijken niet meer om. De tocht is begonnen. De weg onder onze voeten verandert van beton naar grind naar waar je ook maar wilt staan. Het duurt niet lang of onze nieuwe metgezellen kijken ons nieuwsgierig aan. Rennen op ons af en dan weer ver van ons vandaan. De neuzen trots in de wind. De staart omhoog waaruit blijkt dat ze toch een beetje in alarmfase zijn overgegaan.

Rendieren. Kleine kuddes trekken aan ons voorbij. Of eigenlijk andersom. Want wij zijn degenen die het moeras trotserend, van het ene dal naar het andere gaan. Onze voetsporen achter ons verzuipen in het drassige mos. Wij waren hier, maar lijken er tegelijkertijd nooit echt te zijn geweest. Het water wist de sporen. Het mos veert terug als een poort die zich achter ons sluit. En ons voorwaarts stuwt. Zo ploeteren wij vooruit. Van pol tot pol, de choreografie van een waterballet in wording.


Berenwacht

De koning van het ijs dient op gepaste afstand rustig sjokkend langs het tentenkamp te paraderen. Mooi voor de foto doch rustgevend voor het hart. En zo begin ik mijn eerste wacht toch licht zenuwachtig mijn ronde rond de tenten. Zie ik ver genoeg vooruit? Als ik voor mij kijk, priemt de hongerige blik van de beer der beren dan niet stiekem in mijn nek? De adem van een dier dat lang niet gegeten heeft, kan ik die nog ontwaren wanneer ook de lucht van het mos licht rottend onder mijn voeten naar boven zweeft?

Ieder geluidje draai ik me om. Ik fluister de vogels stil te zijn. En zie ze vertrekken in de voor ons laatste noorderzon. Vertrokken met de ijsberen. Want die laten zich de gehele tocht niet één maal aan ons zien. Niet eens een afdruk. Geen gegrom, geen bewijs. De koning van het ijs, het symbool van Spitsbergen, de altijd aanwezige afwezige. Wat had ik graag een glimp opgevangen. Maar aan ons geeft hij zich niet prijs.


Noorderzon

Niet dat die ondergaat in de zomers op Spitsbergen, maar toch hebben we haar nauwelijks mogen zien. Haast horizontaal trekt ze aan ons voorbij. Maar in plaats van zonnebaden valt vooral een dik pak wolken ons ten deel. De hele trektocht lang. Spelend met ons door soms een streepje zon aan de overkant te laten zien. Voor ons, dan weer achter ons. Het spel wordt soms getreiter. Zeker wanneer we op de gletsjer staan. Het kan lager. En met het schijnsel van de zon in de verte komen we op hoogte bijna in de wolken te staan. De pas erin, de zenuwen lijken soms het gezonde verstand te boven te gaan. Zo mooi als de gletsjertocht begon, zo snel willen we er nu vandaan.

En dan houdt de wolk in. De lach verstuift in knisperend kristal onder onze stijgijzers. De helling is gehaald. De wolk blijft teleurgesteld hangen in een laatste poging ons dwars te zitten, maar voor ons gloort het dal. Een meer, de vrijheid, een tentenkamp in de maak. Moe maar voldaan verruilen we ijs voor zand en steen. Om niet veel verder, met nog één keer de blik op de gletsjer, de tenten op te slaan.


Het moeras

Het duurt niet lang voor we tot onze enkels in de modder staan. Permafrost voorkomt dat wegsmeltende sneeuw wegzakt in de grond. Een toplaag van water en mos. Dat is de eerste weken onze ondergrond. De schoenen worden getest. Waterdichtheid in een nieuwe dimensie. Het water perst en stuwt. En loopt het schoeisel inderdaad niet uit. Soppend in de sokken worstelen we voort. De sandalen bungelend aan de rugzak. Een beek meer of minder, niemand die daar nog de schoenen voor verruild.

Uitwringen ’s avonds en aantrekken ’s ochtends. Nieuwe rituelen voor oud materiaal. Tot de hut. De hut der mogelijkheden. De hut der jolijt. De hut die alles anders maken zou. De hut die dicht bleek te zijn. De hut waar we naast zouden gaan slapen in de kou.


De hut

Hutten en nederzettingen gaven een onderbreking aan de eindeloze weidsheid van ons bestaan. Tekens van leven. Al was dat leven in de voorbije jaren vaak allang verloren gegaan. Toch gloorde er voor ons dan iedere keer weer hoop. Hoop op warmte, hoop niet in de kou te staan. En daar voldeden ze stuk voor stuk allemaal op hun eigen manier wel aan.

Sloophout, drijfhout, puin en kolen. Een vreugdevuur, daar hebben we ons tot drie keer toe tot in de vroege ochtenduren mee vermaakt. De spullen droog, de moraal omhoog en een enkel brandgat rijker. Het zijn herinneringen die je moet koesteren. En zo koester ik keurig de gaten in mijn kleding. Als eeuwige warmte van een vonk, gevangen in een gat, die nooit en ten immer verloren zal gaan.

Het landschap

De spitse punten van de bergen doen de naam van het eiland eer aan. Willem Barentsz heeft met de naamgeving het eiland dan ook zeker niets tekort gedaan. Maar vooral oppermachtig zijn de grote bergen zand. Het puin vermorzeld tot gruis, met hooguit een enkele rots die de kracht der natuur heeft doorstaan. En daardoor toornen soms grote kastelen van rots boven de zandbergen uit. Vervreemdend, bizar en spookachtig. Alsof iemand op 78 graden noorderbreedte architectuurles heeft gegeven waaruit voorbeelden voor de latere bouwwerken in de wereld zijn ontstaan.

Zo staren we ook gefascineerd naar de rotsformatie boven het verlaten dorp Pyramiden...

Ooit een mijnwerkersnederzetting van stand. De eer en glorie van Rusland. En nog steeds een voorbeelddorp voor velen. “Ver voor de Egyptenaren hadden wij al onze piramide hier.” Een boute uitspraak, maar waar wanneer je de natuurlijke sculptuur ziet die het dak van de omgeving siert. Inmiddels een spookdorp met wat tijdelijke bewoners, waar vooral de meeuwen de voordelen van de vele verlaten gevels hebben ingezien. De gebouwen verlaten, alsof de mensen bruut zijn weggeplukt. Alsof niemand het vertrek had kunnen voorzien.
Alles achtergelaten, de laatste bezigheden onafgerond nog op de grond. Spookdorpen waar de geest der mensheid nog lijkt te zweven. Weggevaagd lijken we daar als enige op aarde nog te staan. De blik omhoog, gebouwen leeg, ons tentenkamp ernaast.

De beloning

Naast moeras blijkt Spitsbergen gelukkig vooral uit rots, steen en puin te bestaan. Groot en klein, los en vast, van hoog tot laag. Bergop, bergaf. Ik kan het niet laten om bij de eerste stenen al bovenop de scherpste punten te gaan staan. Even de schoenen laten wennen, even de grenzen opzoeken van wat ik eerder heb gedaan. Schuiven, springen, glijden. Ik voel de drang, ik moet mij al bij de eerste mogelijkheid op dit speelterrein laten gaan. De uitdaging roept, de spieren zetten zich schrap om de uitdaging aan te gaan. Het moeras stelt even later mijn geduld nog op de proef. En nog eens en nog eens en nog een keer. Delta’s lang zie ik water, mos, moeras. Kapot en gebroken ben ik na een monsterlange tocht halverwege de reis voor ik een dag later eindelijk echt los mag gaan. En dan vloeit de energie terug. “ Sprintje trekken?” hoor ik als toverwoorden naast me en dan is er geen houden meer aan. De puzzelstukjes sluiten zich, mijn schoenzolen voelen grip, de zuurstof zuigt mijn longen binnen. Dit is mijn terrein. En zo zal het de tweede helft van de tocht gelukkig alleen nog maar verder gaan. De ultieme beloning op een wonderschone reis.


Het afscheid

Nog één keer loop ik aan het einde van de tocht tegen mijn eigen grenzen aan. De ultieme berg. Hij keek me die hele dag al aan. En nu kijk ik terug. Die top wil ik als ultieme uitdaging op mijn laatste dag in de bergen aangaan. Met de beperking van tijd en in het zicht van de rest van de groep ga ik met twee tochtgenoten op pad. De rivier vertraagt. De helling helt. De schoenzolen grijpen zich met moeite vast aan het puin en staan er eerder schuin tegenaan. Stenen rollen het gruis achterna. We stijgen snel maar sneller nog weet ik het niet meer. De onrust groeit, de belofte aan mezelf wordt door lichte paniek teniet gedaan. Ik wilde de top, maar veilig beneden raken lijkt het nu meer om te gaan. De blik omhoog, mijn vingers graaiend in het vaste zand. De twijfel. De beslissing.

De berg heeft gewonnen. Tot hier is genoeg. Ik moet erkennen dat ik mijn grens heb gevonden en er hier niet over wil gaan. De reis was mooi, de tocht geweldig, de ervaring meer dan waard. Afdalen en ons voegen bij de groep is waar het nu enkel nog om hoeft te gaan.

Warm genoeg om wat verder van het kampvuur te staan kruip ik er even later toch nog even dicht tegenaan. De warmte van de groep, de dansende vlammen, de rotswand, het drijfhout. De plek waar ik graag nog heel lang wil blijven staan. Ik rek de berenwacht, maar moet mezelf dan toch dwingen de warmte van de slaapzak op te zoeken. De laatste lichte nacht in. Het was mooi. Erg mooi. Spitsbergen is een eiland waar ik zo weer naar toe zou gaan.

En mijn schoenen… het stof is eraf, ze zijn nat geworden, bemodderd en hebben op de onmogelijkste hellingen gestaan. Ik ben trots op ze. Al zullen ze nu echt niet meer opnieuw op mijn paklijst komen te staan.

***



Wil je meer ontdekken over Spitsbergen? Kijk dan nog rustig verder naar de foto's op onderstaande slideshow. Mocht deze niet hieronder in beeld verschijnen, klik dan op: slideshow of kittysfotos: Svalbard - Spitsbergen. Ik wens je hierbij nog veel (online) reisplezier!





Ga naar startpagina